Sprookje

Gisteren, in de Lange Nacht van Kort Vreemd Proza in Utrecht las ik in de buitenlucht dit sprookje voor aan twee mensen in een hemelbed, onder het afdak van een kinderboerderij. Om ons heen luisterden zwarte schapen en kippen mee. Het regende hard. Ik las:

 'Een prinses zat opgesloten in een toren. Die gebouwd was op bevel van haar stiefmoeder. Waarom? Dat wist niemand meer. Zij zelf ook niet. De stiefmoeder was allang dood. En haar vader leefde ook niet meer. Eenmaal per dag werd een mandje met voedsel omhoog getakeld naar haar raam. Ze zong, ze keek naar buiten en ze weende. En dat werd in het hele land rondverteld. De prinses moest gered worden, dat stond vast.'

'Waarom eigenlijk?'

'Omdat het een sprookje was. Luister, op zekere dag trokken achtduizend mannen op om de prinses te redden. Ze hadden allemaal een ladder bij zich. Beneden aan de toren sloegen ze hun kamp op, en luisterden ontroerd naar het gezang van de prinses tot die zich terugtr­ok. De prinses moest gered worden, dat stond vast. Maar door wie? 's Avonds werden ze dronk­en. Ze kregen ruzie en er ontstond een enorme vechtpartij. De mannen slachtten elkaar af. De volgende ochtend waren er nog maar twee in leven. Eén had een zere knie, de ander een bloedende hoofd­wond. Wie mocht de prinses redden? Ze gooiden een muntstuk op en de winnaar ‑ een triatlonkam­pioen ‑ klom op zijn ladder naar het raam van de prinses. Ze was verblindend mooi.

"Hallo, ik kom je redden," zei hij.

"Alles liever dan dat," zei de prinses en duwde de ladder weg. De kampioen viel omlaag en brak z'n nek. De ander ‑ een boerenjongen die Hans heette, zoals altijd in sproo­kjes ‑ zag het gebeuren. De prinses moest gered wor­den, dat stond nog steeds vast. Maar hoe? Hij zette zijn ladder tegen haar raamkozijn. Maar zelf ging hij beneden in het gras liggen. Er vloeide nog steeds bloed uit zijn hoofdwo­nd. Help, riep hij­... Help! En... ze leefden nog lang.'