Noemde zich de minnezanger - er is ook muziek bewaard - Heinrich von Meissen (1260-1318). Nu ik naar Mainz ga waar hij leefde en optrad als een ware popster, en tenslotte door de vrouwen van de stad begraven werd in de Dom, wil ik meer weten. Hier passages - excuus voor de vertaling - uit zijn erotische loflied aan de maagd Maria, die zelf het woord neemt in het negende couplet:
Ik ben de grote en uitverkoren Vrouwe
mijn wil is rijp, mijn verlangen machtig.
Want vurige liefde moet ik ontketenen
mijn liefde, een en al hartstocht, kwam nader
tot de tralies van mijn kloosterdeur.
Zijn hand streelde me, vochtig van dauw -
o smaak van honing, door en door!
Ik at de honingraat
en dronk het schuim
kwam toen terug naar huis.
Mijn God welk een zaligheid!
Wat steekt daar voor kwaad in?
Ik, de wezel droeg de hermelijn
die de slang beet. Met morgendauw
spleet ik de harde steen van de vloek.
Mijn goddelijke staf, ontvorkt
verpletterde de koppen van het helse ongedierte.
Toen de palmboom van het Kruis
me zag, werd hij rood, zonder verf.
Spreek, wijze Adam, nobele vriend,
en vertel me hoe ik
een eind kon maken aan je oude vloek
ik, de Maagd, door het recht van een moeder.
De smid van het hoge land
joeg zijn hamer in mijn schoot
en smeedde zeven sacramenten.
Ik droeg hem die aarde en hemel draagt
en toch ben ik nog maagd.
(...)