In de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 brak de watersnoodramp los over Zeeland en de wereld.
Mijn geheugen vertoont het haastig getimmerde bord van het Nationaal Rampenfonds, met slordige letters, opgehangen aan de gevel van Statenlaan 81, net bij mijn grootouders om de hoek in Den Haag. Vreemd zo'n adres dat voortdurend op de radio werd omgeroepen – postgiro 9575, 'beurzen open, dijken dicht..'. Je werd opgetild door de geschiedenis. En in het najaar nogeens toen het gezin op bezoek ging bij Oom Jacques in Nieuwerkerk (290 slachtoffers, de meeste van heel Zeeland), op Schouwen en Duiveland. Mijn familie van vaderskant is Zeeuws, erg Zeeuws.
Zijn boerderij had tot de eerste etage onder water gestaan. Rondom lag nog steeds een maanlandschap van groen slik. Goederenwagonnetjes van de RTM waren begroeid met mosselen. Beneden was het huis van Oom Jacques dat najaar al herbouwd, tot een nieuwbouwflat geworden, maar boven op de oude boerenzolder waar ik sliep lagen - o godsgeschenk - alle ingebonden jaargangen Donald Duck van mijn neefje, van af het eerste nummer. Daar heb ik nachtenlang mijn Duck-achterstand ingehaald - mijn vader verbood strips.
Overdag bekeken we de caissons waarmee het gat van Ouwerkerk was gedicht, terwijl ik niets anders deed dan uitzien naar Goofy, Guus Geluk, Katrien en de neefjes in een nieuwe, lange Duck-nacht.