Wat er van klopt weet je niet, het zou veel kunnen zijn. In mijn herinnering is puberteit woordloos. Tenminste over waar het echt om ging.
Zweden. Het is 1982. Drie meisjes waarvan er twee dertien zijn, de derde iets ouder. De leeftijd waarop wordt uitgemaakt wat je waard bent in de wereld. In de ogen van anderen, en dus van jezelf. Genadeloos beoordeeld door klasgenoten en ouderen. De film van Lukas Moodysson laat het messcherp zien.
En dan de moedige greep. Jezelf ontdekken aan muziek, instrumenten waar je niks van kunt, maar toch. Op een podium sterf je. Maar wat heb je te verliezen?
Blijft het hebben van een uiterlijk ('wat een lelijke meiden'). Een meisje van dertien met een brilletje achter een reusachtig drumstel. Ik dacht aan Randy Newman die me vertelde hoe hij in het klasseorkest op school niet de pianist mocht zijn omdat er al genoeg meisjes waren met pianoles. Alleen het drumstel bleef over. Kwam de uitvoering. Na afloop zei de schoolopzienster dat ze nog nooit een drummer had gezien die met beide handen precies het zelfde deed. Deze 13-jarige Bobo komt in de buurt. Wat is jong zijn anders dan voor de spiegel staan, in wanhoop nogeens iets met je haar proberen en dan besluiten 'dit wordt niks'.
Haar, het enige waar je iets aan kunt doen. Vandaar dat de klassiek gitariste Hedwig - onder de schaar van haar nieuwe vriendinnen - haar keurig Christelijke haar moet verliezen voor een punkkapsel. Zo komt 'Wij haten sport' uit de verf.