Uit vuilnis vlooien wat nog wat opbrengt of met een witte jas aan en een plastic helm op vleesafval verzamelen onder de snijtafels van de echte uitbeners. Dat is de wereld van verschil waar het om draait in La Jaula de oro, De gouden kooi.
Migratie om 'een beter leven'. In deze film gesymboliseerd door sneeuw. Droomvlokken in het donker. Een gedroomd miniatuurtreintje dat door besneeuwde bergen naar het paradijs rijdt.
Het zijn ook verleidelijk mooie treinen die je erheen moeten brengen, uit Guatamala, Honduras, via Mexico naar de Verenigde Staten. Zittend op de treindaken. Tot rovers je kaalplukken of de Mexicaanse grenspolitie ingrijpt.
De film van Diego Quemada-Diez volgt het oerverhaal van de tien kleine negertjes. Dat begint met vier. Eentje durft niet, toen waren er nog drie, de derde is een vermomd meisje dat er genadeloos door boeven uitgepikt wordt en verdwijnt naar haar meisjeslot. De Indiaan van de laatste twee wordt geraakt door een Amerikaanse scherpschutter. Blijft over de blankste van de vier. Die het slachthuis bereikt en onder een lantaarnpaal Amerikaanse sneeuw mag zien vallen.
Als kijker blijf je achter met één vraag. Zou het echt waar zijn dat mensen van even zestien, zo, zonder enige voorbereiding, vrijwel zonder geld, puur op goed geluk naar het Noorden proberen te komen? Eén op de vier overlevers lijkt dan nog veel.