'Het leven is wat het is en zal zijn wat het zal zijn,' zegt de moeder van Allan Karlsson voor ze sterft. Wie dat in z'n oren knoopt en er naar handelt wordt in gezondheid honderd jaar.
Nadenken is immers voor domme mensen. Wie het probeert legt het loodje. De wereldgeschiedenis ontfermt zich over hem. Wat de mensen al niet willen.
Maar Karlson - in De honderdjarige die uit het raam klom en verdween - blijft zelfs voor Franco en Stalin ongrijpbaar in zijn onnozele rechtlijnigheid. Deze wegens krankzinigheid gecastreerde maniak met z'n voorliefde voor ontploffingen overleeft – als een soldaat Schwejk - iedereen. Karlsson is ook verre familie van Voltaires wereldreiziger Candide, wiens huiswijsgeer Pangloss immers preekt dat wij in de beste van alle mogelijke werelden leven. Of mijn moeder indachtig: 'Het is vast wel ergens goed voor.'
De 100‑jarige die op zijn verjaardag uit het raam klimt en verdwijnt doet me behalve aan Candide en Prikkebeen - 'lieve zuster Ursula, ik ga naar Amerika' - ook denken aan Bohumil Hrabal, de schrijver die op z'n 82-ste uit het raam van het ziekenhuis viel bij het voeren van de vogels. Of had hij Onze Lieve Heer een handje geholpen? Maar nee, Karlsson heeft het eeuwige leven. Na zo’n bezopen film vol tomeloze flauwiteiten gestapeld op spitse grapjes ben je duizelig van alle gekken om hem heen, maar niet van Karlsson.