In zijn meesterlijke gedicht 'De kindertijd van Alice', net verschenen in de Revisor, brengt Tomas Lieske zijn omgang met de spiegel onder woorden. Hij probeert Alice te bereiken, te worden, daar aan gene zijde. Maar wat hij ook verzint, niets lukt. Tenslotte steekt hij zijn tong uit. En proeft glas:
Nog nooit in Wonderland geweest en dagelijks
kniel ik voor de spiegel op de schouw
om te zien of ik niet lelijk word,
geen hoedjesharen krijg, geen hijskraanneus,
of er een gummidopje groeit, rijpe bulten
en melkplopje, een bloedvulkaan,
hoe ik kikkerbekken trek en met mijn ogen
ernstig naar een betoverd leven kijk.
Tegenover mij zit dat onzeker kind,
een eenzame gelijke die nooit
vanzelf spreekt, altijd overgehaald moet
worden. Is zij plat vlak ondanks alles wat
afstand en diepte heeft zoals ik duidelijk zie?
Of kijkt zij naar mij en ben ik plat?
Ik heb getracht het meisje in de spiegel
te versieren, een roos boven haar hoofd
maar zij gaf alles terug, tot de haring
die ik naar haar smeet, tussen ons in
met bolle ogen naar beneden gleed,
de tong die ik uitstak tot ik haar tong
koud raakte, naar glazen tanden smaakte.
Tomas Lieske komt uit Den Haag (1943). Zijn laatste roman heet Door de waterspiegel (2014), zijn laatste dichtbundel Haar nijlpaard optillen (2012).