Wat gebeurt er wanneer je een oorlogsfilm laat beleven door een tweeling? Een eeneiige, die zich door niets ter wereld laat scheiden? Vreemd, wat ze meemaken wordt surrealisme, de oorlog een gruwelsprookje. Was dat de bedoeling van de Hongaarse schrijfster Agota Kristof?
Het begint met jezelf harden, eerst spelenderwijs. Dan steeds echter. Oorlog oefenen. Slaan, geslagen worden en zo door.
Die oorlog wordt tegelijk een sprookje. Maar dan als de wrede oerversies van onze sprookjes, waarin geweld overheerst, de Boze Wolf Roodkapje voorgoed verzwelgt en Hans en Grietje worden verkracht.
Je volgt de vorderingen van de tweeling in hun hardingsproces, aan de hand van hun notities en tekeningen in het Grand Cahier van de oorlog, het boek waarin ze alles vastleggen. De werkelijkheid als een jongetjesland, dat gruwelijk lijkt op wat je elke avond uit Syrië ziet, inclusief de begrijpelijkheid van rechtlijnige redeneringen. De tweelingfiguur blijft daarbij een onwerkelijkheid.
Het meest absurd is niet een pedofiele Duitse officier maar de sentimenten van de moeder en de vader die hun zoons eindelijk terugvinden bij de grootmoeder waar ze al die tijd ondergedoken zaten. Nee, ze sluiten hun jongens niet in de armen. De logica van dit verhaal zegt dat de tweeling er de hand in heeft dat ze worden opgeblazen, eerst de moeder, later de vader. Het hardingsproces is voltooid. Ze blijven bij oma, 'de heks'.