In een uitverkocht zaaltje aanbidsters zag ik gisteren Audrey Hepburn uit haar yellow cab stappen en Breakfast at Tiffany's binnengaan. We waren weer in 1961, het omkeerbare jaar waarin de tijd bleef stilstaan.
Het jaar van – haar na haar - onberispelijk gekapte filmsterren, het jaar ook van Resnais' Marienbad.
En dan zo’n keurig meisje als Hepburn dat een nukkige, grillige losbol moet verbeelden - een 'wild thing' - met mafiaconnecties, dat niets doet dan rijke vriendjes hengelen. Maar niet heus. Blake Edwards regisseerde een stortvloed leukigheidjes rond een onuitstaanbaar tutje. Zogenaamd uit de provincie. Dat met alles wegkomt dankzij haar hertenoogjes. Ze kan zelfs ongestraft haar poes zomaar ergens uit de auto gooien. Omdat ze een slecht humeur heeft.
Kenmerk van Breakfast at Tiffany's is de dwangmatige originaliteit, met elke paar seconden een geestigheid of een snedig bedoelde oneliner. Een hoed vliegt in brand op een feestje waar iedereen uitzinnig dronken wordt en alles uit de hand loopt. Maar niet heus. Toppunt van droeve ongeestigheid is Mickey Rooney als Japanner met een voorzetgebitje. En dan moet zich ook nog een romance ontrollen, tot het bittere eind.
De filmwereld van Blake Edwards bestaat uit verbeten volgehouden onechtheid. Niets is er geloofwaardig, dat is ook de bedoeling. We zijn immers in 1961. Je had 'de film' en die lag mijlenver van de droeve alledag. Het publiek vergaapte zich, zwijmelde. En ging weer de regen in.
Het wonder van gisteren was dat dat zwijmelen in 2014, nog steeds bleek te bestaan. De film is puntgaaf gerestaureerd. En het leek wel of dat met het publiek ook gebeurd was. Alleen, gelachen werd er niet. Dit was ernst.