Een stralende zomerse zondag in Zutphen. Bertjes ouders waren uit, zodat we alleen in de tuin en het aanliggend souterrain van zijn ouderlijk huis speelden. We verveelden ons zoals jongens van vijf zich vervelen. Totdat Bertje een idee kreeg: we maken een kermis.
Dat kwam, we waren de dag tevoren met zijn vader naar de Zutphense kermis geweest en hadden onze ogen uitgekeken. Er stond in dat souterrain van alles, kratten, kisten, flessen, Bertjes vader was drankhandelaar. Nu begonnen we in de tuin attracties op te bouwen. Met de tennisballen van zijn vader moest het publiek torens van flessen omvergooien. Zaklopen was makkelijk, zakken genoeg. En natuurlijk zouden we limonade verkopen.
De kermis was klaar, de mensen konden komen. Maar hoe moesten we ze waarschuwen dat de kermis begonnen was? In het souterrain vonden we een grote koperen bel. Die hingen we buiten aan de waslijn en daarmee begonnen we de kermisbel te luiden. Hij weerklonk door heel het stille huizenblok. Maar wat we ook belden, geen publiek.
'Gewoon doorbellen', zei Bertje, 'dan komen ze wel'.
Na een hele tijd keek een meneer over de schutting en tenslotte kwam de buurvrouw vragen wat er aan de hand was. 'Het is voor de kermis', zei Bertje.
Toen we een eeuwigheid onze kermisbel hadden geluid kwam Bertjes moeder met een rood hoofd aangerend. Wat we ook zeiden, het was haar niet uit te leggen. Bertje werd met een draai om zijn oren naar bed gestuurd en ik naar huis.
Dit verhaal kwam bij me boven door het fotoboek 'Van de reis' over 'de kermis, het circus en de mensen' van Jac Weerts, met verhalen van oa. Arnon Grunberg. Wat kermis kon zijn leerde ik later in De Haag, waar een man in pantervel met ontbloot bovenlijf voor zijn tent aankondigde: 'Het wonder van Dendermonde, het meisje zonder hoofd'.
Ik heb dat meisje gezien.