Een berg? Een godheid? Een goddelijke berg? Vanmiddag in het Japanmuseum het Siebold Huis doordrong de tentoonstelling van vooral prenten van de berg Fuji me stap bij stap van waar het om draait.
De 3776 meter hoge berg, de hoogste van Japan, is vanuit 13 provincies te zien, in steeds wisselende gedaanten, elke dag, elk moment. Met meer of minder sneeuw op de top, wolken om de top of geheel onzichtbaar. De Japanse die ik ken kan hem soms - als de lucht vervuiling het toelaat - net zien als ze uit haar raam vooroverbuigt. Vanuit de grote stad Edo (nu Tokio) was en is er altijd de Fuji.
In Leiden zie je hem gezien worden. Door de eeuwen heen, op prenten. En nu begrijp ik iets van wat er aan hem te zien is: alles en niets, stilstand en beweging, het eeuwige en het moment. Kortom, al wat een mens te boven gaat.
Natuurlijk begon de verering met vruchtbaarheid en natuurkracht, maar zoiets slijt. De berg heeft geen boodschap, de berg zwijgt. Je kunt op hem rekenen.
Je kunt onder hem de was doen, onder hem flaneren of vissen. Je kunt zijn vulkanische helling beklimmen, wat velen doen, je kunt hem tekenen.
Rondlopend langs de prenten die de omgang met de berg in beeld brengen kreeg ik ontzag voor deze eredienst zonder de al te menselijke woordkraam die het monotheïsme meebrengt.
Aanbidden hoeft niet. Kijken is genoeg. Dat geeft houvast, al weet geen mens waaraan.