Niets was me als kind meer vernederend dan kindzijn. Hoe kwam ik er af? Opgroeien ging langzaam. De streepjes op de maatstok voor lichaamslengte met vrolijke kindafbeeldingen schoten niet op.
Deed je iets verkeerd dan was dat grappig en werd je uitgelachen. Heel de dag spelde ik op het dorp waar we toen woonden de teksten om me heen. Bij een huis aan het kanaal stond op de ramen 'café de brug'. Ik las het, letter na letter, maar het eerste woord bleef me een raadsel, ook door het vreemde streepje boven de e. Thuisgekomen was ik zo onvoorzichtig te zeggen, op de ramen staat 'safe de brug'. Op z'n Hollands natuurlijk. Oorverdovend gelach was m'n deel. Gevolgd door uitvoerige uitleg op de toon die volwassenen tegen kinderen aanslaan. Wat een café was wist ik natuurlijk nog niet. In die jaren leerde ik zwijgen.
Het probleem was dat mijn moeder, oud-schooljufrouw juist dol was op vooral kleine kinderen. Ik werd voorgezongen, er werden me kinderverhalen verteld. Ze voelde zich zo thuis in de kinderwereld als ik me er onveilig voelde. Over de echte wereld, waar ik dringend meer van moest weten geen woord.
Vanavond in de Brakke Grond en morgen in de Utrechtse Molen gaat het bij de Vorlesebühne over 'Liedjes die de kachel altijd zong' en ik hou m’n hart vast. Het lied van de kolenkachel, vooral bij storm brengt me de stem van mijn moeder, die verslaafd was aan dit lied, omdat mijn naam erin voorkwam:
'Wim zat zo hard te werken
Hij tekende een spoor
Een spoor met zeven wagens
Maar dat was moeilijk hoor.'
Ergerlijk. Moest ik dat zijn? Spoor was op de hurken gesproken kindertaal. Waarom gingen mensen raar praten als ze een kind zagen? Zodat ik telkens weer moest verbeteren 'trein'.