Ik zie de 16-jarige Karl Rosssman zijn ogen uitkijken van vierentwintighoog in mijn lievelingsroman 'Amerika' (1911-1914), op het balkon van het flatje waar hij met reisgenoten Delamarche, Robinson en de zeer dikke Griselda is ingetrokken. Ergens in het ontzagwekkende Amerika. Het moet kort na 1900 zijn. Ze staren naar beneden waar de verkiezingsstoeten voorbij gaan, met orkesten, spandoeken, artiesten. Het publiek langs de route is opgetogen.
Kafka was nooit in Amerika. Maar las wat hij te pakken kon krijgen over Amerika, voerde eindeloze gesprekken met mensen die er geweest waren.
Voor hem het ware Beloofde Land, eerder dan Palestina. Wat wilde hij ermee? Ik vermoed dat het gedweep met Palestina in zijn kring hem de strot uit kwam. Amerika was voor hem het ware dromenland. Deze fantastische roman was zijn antwoord.
Slaapzalen vol liftboys in het grootste hotel ter wereld. Het uitzinnige Reuzencircus!
Het land van de onbegrensde mogelijkheden! Waar politiek en showbizz hand in hand gingen.
Het onvoltooide verhaal breidt zich uit naarmate Karl Rossmann verder in Amerika doordringt. Zijn Amerika wordt met elke stap groter
En nu? Morgen? Ik vermoed dat Kafka de onbegrensde Donald Trump geweldig had gevonden. Het Trump-karakter past perfect in Kafka’s Amerika.