Vanmiddag in Singer in Laren werd ik teruggeslingerd naar de vleeswagen. Rond 1960 de enige betaalbare manier om in het Musée d'Art Moderne in Parijs te komen. Van een Rotterdamse kade ging het eerst naar Lille, waar je tegen middernacht aan het slachthuis halve varkens moest helpen sjouwen. Er waren sjouwers, maar die kon je vergeten zei m'n vrachtrijder, die waren nu bezopen.
Omdat de autoradio stuk was moest ik hem zien wakker te houden met liedjes en verhalen, tot ik echt niks meer wist en de wagen begon te slingeren. Gelukkig reden we in colonne en toeterde de collega achter ons hem wakker.
Tegen dat het licht werd stonden we op het halfcirkelplein voor het oude slachthuis aan de Porte de la Villette. Waar juist de nachtploeg met bebloede schorten cafés binnen ging die allemaal de Gouden Os of het Zilveren Kalf heetten. Op de grond bergen zaagsel om het bloed op te vangen. Na een halfuurtje ging er chloor overheen, volgende ploeg.
De eerste metro zat vol Algerijnen en negers, water stroomde door de goten de berg af. Er zaten bloedvlekken op mijn plunjezak die aan een vleeshaak achterin had gehangen.
En zo zat ik te wachten, met zicht op de Eiffeltoren, op de berg van het Palais de Tokyo. Op tijd om het museum te zien opengaan.
En daar zag ik de namen die ik vandaag weer zag. Van wat toen de Parijse school heette. Modernisten, van na het impressionisme. Van Delaunay tot Vallotton, van Picasso tot Matisse, van Villon tot Modigliani.
De lumineuze keus die in Singer te zien is komt uit Troyes en werd ooit gemaakt door Pierre en Denise Lévy, een verzamelaarsechtpaar daar dat alles vermaakte aan de stad Troyes
Bijna niets ervan zag ik ooit eerder. De vleeswagen reed weer.