Op aandringen van mijn vader, die van thuis nooit corpslid had mogen worden, kwam ik in september 1962 met een kaalgeschoren kop in de groentijd van het Amsterdams Studentencorps terecht. De eerste avond was het meteen raak: 'Dachautje spelen'.
Op de societeitszolder zaten 175 groenen bijeengepakt die zich alleen gehurkt mochten voortbewegen. Na vele uren pesterij kwamen borden gloeiende soep, die over de hoofden moesten worden doorgegeven, terwijl ouderejaars ze met wandelstokken uit je vingers sloegen.
Het zag er inderdaad nogal concentratiekampachtig uit, die kaalkoppen met ontblote bovenlijven.
De ontgroeners bevalen: 'Alle joden naar voren'. En waarachtig zeven jongens meldden zich om te worden uitgescholden. En zo door.
De volgende ochtend vroeg zat ik op een stoep in de Utrechtsestraat en besloot niet meer terug te gaan. Anderhalve dag was me genoeg. Raar, maar ik was ik de enige. Ook een paar later beroemde Nederlanders, politici, artiesten, zaten het uit.
Tja, zo'n groentijd was 'zuur'. Maar ja, je wilde er bij horen.
Er vielen wat gewonden bij het bouwen van een menselijke pyramide, die steeds met wandelstokken onderuit werd gehaald, maar die werden in het Wilhelminagasthuis opgelapt door bevriende corpsleden. Het 'old boys network' functioneerde.
Pas later kwam het woord Dachautje spelen naar buiten en ontstond er een rel. Maar daarna gingen de groentijden gewoon door.
Tot de dag van vandaag.