Mijn grootvader, de ouderling, was langdurig ziek, hij lag in het bed op de logeerkamer. Daar werd hem eten gebracht. Vele kerstavonden waren voorbij gegaan, waarbij hij beneden naast de kerstboom zat. En met zijn sonore Zeeuwse stem uit de Bijbel las.
Vorig jaar was er een koffergrammofoon. Waarbij mijn vader een plaat van Bachs Jesu, Joy of Man’s Desiring had gekocht. Dat was de melodie die ik kon dromen, hij werd elke zondag gespeeld door de organist in opa's kerk.
'En vader, dit herken je toch wel?'
Hij keek voor zich heen en zei: 'Nee het zegt me niets.'
Hij was onmuzikaal, kon niet zingen. Een 'brommer' zoals het in schoolklassen heette.
En nu was hij ziek. Ik bracht hem mijn zelfgebouwde kristalontvanger, een oortelefoontje met een stekker in een gefiguurzaagd houten kistje. En legde hem uit hoe hij daarmee 'de kerk' zou kunnen horen, want die was nu op de radio. Hij knikte. Ik ging weer naar beneden. Even later viel het licht uit.
Ik rende de trap op en trof mijn grootvader met verschroeid haar en een zwarte veeg over zijn gezicht. Naast hem hing het oortelefoontje van de kristalontvanger, half gesmolten.
Hij had het contact van het oortelefoontje in het lichtnet gestoken.