Straathoeken

 In de Rotterdamse Kunst­hal zijn de Amerikaanse hyperrealisten er. Ik zag er vanmiddag het griezelige van New England. Anthony Perkins - toch een reuze aardige jongen die iedereen kent - kan daar een winkel binnengaan in Hitchcocks Psycho.

 Amerika naakt. Nauwelijks mensen op straat, de wandeling bestaat daar niet. Mensen zijn auto's geworden. Overal het helle Amerikaanse licht waar Rudi Fuchs van vertelde. Veel Edward Hopper. Het regent op deze schilderijen nergens.

 Wat is anders dan in stadjes hier? Daar heb je bovengrondse kabels voor telefoon en elektra, in trottoirs de water-aansluit­punten voor de brandweer.

 Kleine steden en 1900-gebouwen in Engelse stijl hebben de voorkeur van deze schilders. Weinig close-ups, vooral on-sensationele stadsbeelden met een enkele verdwaalde voet­gang­er. Je kijkt in een leegte.

 Er zijn uitzonderingen, een gebakken ei, het interieur van een eetgelegenheid. Geen close-ups.

 Het mooist vind ik de straathoeken waar echt helemaal niets gebeurt. Een ‘diner’ trekt de aandacht in zo'n leeg straatbeeld. Er is hier niets te doen behalve een hamburger eten en boodschappen.

 Wat maakt deze schilderijen anders dan foto's? De onderwerpkeus van de schild­ers versterkt het onwerkelijke, Ze maken het erger. En dat is knap.

 De dodelijke on-charme van geparkeerde auto's op een doodsaaie straathoek.

 Een straathoek is daar al heel wat.