In zijn tweede boek 'Wees onzichtbaar' beschrijft Murat Isik zijn komst als klein Turks jongetje naar de Bijlmer, in 1983. De titel is jongetjeswijsheid die ik meteen herken. 'Wees onzichtbaar' Je zult wel moeten, met zo'n vader.
Ik weet ervan. Na een confrontatie stond ik op mijn kamertje voor de spiegel; en fluisterde: 'Ik krijg je nog wel'.
Deze vader weigert iets van het geld dat hij van de overheid krijgt aan zijn vrouw te geven voor het huishouden, het eten.
Hij gaat weer stappen:
'Hij wist dat mijn moeder hem niet zou laten gaan, dat ze zich desnoods aan hem vast zou klampen. En hoe vaak mijn vader ook vanuit zijn zelfgebouwde troon neerkeek op haar en haar 'vogelbrein' noemde, hij wist dat hij er niet aan zou ontkomen om zijn portemonnee uit zijn binnenzak te halen en er een door Ootje Oxenaar ontworpen bankbiljet uit te halen, met daarop de plechtige beeltenis van Jan Pieterszoon Sweelinck in fraaie rode tinten. Als zijn woede de overhand kreeg, volstond hij met het blauwe biljet met daarop de ernstig kijkende Frans Hals. En wanneer duistere gedachten het wonnen van zijn fatsoen en mijn moeder hem haast tot waanzin dreef, liet hij Frans Hals door de lucht dwarrelen en moest mijn moeder hem van de betonnen vloer van de galerij rapen.'
En dan: 'Langzaam vloeide de spanning uit het gezicht van mijn moeder. De onzichtbare lucht van ontspanning drong beetje bij beetje naar alle vertrekken van het huis.'
Dat is nog eens schrijven.