Mijn moeder schreef in de oorlog, toen ze in Steenwijk woonde, waar ik op 7 november 1943 geboren zou worden, elke dag een brief aan haar moeder, mijn grootmoeder, die uit Den Haag verdreven was naar Leersum.
Gewone brieven in ongewone omstandigheden. Ze is zwanger en heeft last van misselijkheid en moeite met eten, maar wil dat niet laten merken, zoals in die tijd gewoon was. Er moest wel heel wat gebeuren wilde je de mensen laten merken dat het niet goed met je ging.
Zo 'stierf ze duizend doden' toen ze misselijk uit een gereformeerde kerkdienst moest vluchten, vooral ook omdat ze in deze oorlogstijd schoenen met houten zolen droeg die oorverdovend klonken tijdens de preek.
Mijn ouders zijn in de kost bij de bakker in de Woldstraat en eten wat de pot schaft. Haar zwangerschap moet in Steenwijk verborgen blijven, ze heeft 'maaggriep'.
Nu is het 18 maart 1943 en ze schrijft haar moeder: 'Ik moet steeds denken aan de meisjes of vrouwen die een baby verwachten in vernederende omstandigheden of als de man er niets om geeft'. En: 'Adri (mijn vader) is steeds ontzet over m'n witte gezicht. Dat zijn ze niet gewend van mij. Je voelt je ook zo weggetrokken, vind ik. Als ik verzeker dat het heus beter gaat stuift hij op: 'Eet niets de hele dag, ziet eruit als een vaatdoek en dan 'je lekker voelen!'
Op 22 maart gaat het iets beter. Ze eet sla en een hele citroen vindt ze verrukkelijk. Maar 'Ik kan geen pap zien en brood ook haast niet, koffie en thee smaken me niet meer en koekjes laat ik ook voorbij gaan.'
En in de kantlijn: 'Adri zegt dat hij vreest voor de toekomst, want dat ik nu al de hele dag enkel aan het babytje denk en niet aan hem!'