Vanmiddag was ik weer terug in Zutphen en zag dat de uiterwaarden van de IJssel onder stonden. Een gezicht waarmee ik daar ben opgegroeid. Je zag de spoordijk vanaf de Deventerweg in de verte liggen, in het water.
Elke winter liep het daar onder en ontstond een watervlakte zover het oog reikte, tot ver achter het spoor.
De oorlogsverhalen van mijn moeder waren om te duizelen. Eens was op de spoordijk een kolentrein gebombardeerd door Engelse vliegtuigen. En heel de buurt was naar het spoor getrokken met emmertjes, ook zij kwam thuis met emmertjes kolen.
Maar de grote gebeurtenis was het bombardement van een munitietrein, die tot bij ons in de straat huizen hun dak af blies.
Op een winterse dag dat de Mars weer onder water was gelopen stonden wij kinderen te staren naar de spoordijk in de verte.
Er lag daar een roeiboot met een stuk touw eraan. Zo te zien van niemand. En ik, net vijf jaar oud, klom erin. Nooit eerder had ik gevaren. Nu zou het gebeuren. Ik zette af en dreef steeds verder de plas op. Zou ik de spoordijk bereiken? Extatisch zwaaide ik naar de achterblijvers. Maar er ontstond onrust aan de wallekant.
En niet veel later kwam mijn moeder aangesneld die door het heuphoge water naar me toe waadde vroeg ik nou helemaal was geworden – zo sprak ze - en het bootje naar land sjorde.