Spoorgeluk

 In de volmaaktheid ligt het geluk, Ik lees 'Een doodgewoon leven' van Karel Capek, vertaald door Irma  Pieper, waarin een station beschreven wordt in het oude Oostenrijk-Hongarije waar de orde en regelmaat van de spoorwegen hun zegen brengen. Het is een klein doorgangsstation, maar zesmaal per dag komen er exprestreinen langs, die hier natuurlijk niet stilhouden.

 Toch staat dan het voltallig personeel in de houding op het perron om de internationale verbinding de gepaste eer te bewijzen. Het is een station 'als van suikerwerk, petunia's in alle vensters, overal manden met lobelia's en Oost-Indische kers; een tuin vol seringen, jasmijn en rozen. En ook langs de loods en de seinposten was het een groot bloemenperk. En alles moest blinken, de ramen, de lampen (...). En dan: 'Daar om de bocht doemt met hees gedaver de machtige hoge borst van de expreslocomotief op, de oude heer doet drie stappen vooruit, en daar dendert het al voorbij, de machinist groet met zijn hand, op de treeplankjes van de trein salueren de conducteurs, de oude heer staat in de houding - de hielen tegen elkaar, de schoenen glimmend als een spiegel - en brengt waardig zijn hand naar de rode pet. (Vijf passen achter hem, die interessant bleke beambte met die hoge pet en een broek die glimt van het zitten, ietwat nonchalant saluerend dat ben ik).'

 En dan, dan komt de vervulling van deze droom: 'Als wonderen konden geschieden, opdat rechtvaardige zielen de beloning en de roem zouden krijgen die hun toekomt, dan zou op een goede dag een internationale sneltrein (die van 12.17) aan het perron stilhouden en zou de keizer zelf eruit stappen; hij zou twee vingers naar zijn pet brengen en zeggen: 'Mooi hebt u het hier, meneer de stationschef. Ik heb al vaak naar dat station van u gekeken.'

 En ik denk aan mijn oom Bob, die altijd verheugd remde als een overweg dichtging. Dan op zijn horloge keek en zei 'De twaalf drie en veertig is laat.' Hij kende dienstregelingen - ook die van het goederenverkeer - van buiten.

Tags: