Droogte in Praag (1929)

 Nu in het nieuws dagelijks een boer komt uitleggen dat het wel meevalt met de droogte, raadpleeg ik 'Het jaar van de tuinier' (1929) van Karel Capek. Daarin wordt het wel en wee van tuin en planten per maand besproken.

 Ik sla juli op en jawel, droogte. Nu heb ik aan drie gieters genoeg voor mijn balkon, maar Capeks tuinier heeft het zwaarder: "Oef," zegt hij met de trots van iemand die een record heeft gevestigd, "ik heb mijn vijfenveertig gieters van vandaag weer gehad." En Capek: 'Als u eens wist wat een plezier men voelt wanneer het frisse water murmelend op de uitgedroogde grond terechtkomt; wanneer in de avond bloemen en blaadjes glinsteren onder de douche, hun gegeven door een toegewijde hand; wanneer vervolgens de hele tuin als een dorstige reiziger op adem komt. "Ah!" zegt de reiziger, terwijl hij het schuim van het bier uit zijn snor veegt. "Lieve hemel, wat had ik een dorst! Baas, nog een glas graag." En de tuinier rent weg om nog een gieter te halen voor deze juli nadorst.'

 Natuurlijk komt ook te tuinslang ter sprake: 'In betrekkelijk korte tijd maken we niet alleen de bloemperken nat, maar ook het gazon, de buren, die in de tuin zitten te eten, de voorbijgangers op straat, de huiskamer, alle gezinsleden en vooral onszelf.' 

 Bij Capek wordt een tuin een levend organisme. Mijn balkon begint ook al tegen me te praten. Bijvoorbeeld over die stapels lege potten van allang gestorven planten in de hoek.

Tags: