Mijn Hoger Technisch geschoolde broer had na de begroeting een vaste eerste vraag: 'Zo broer, hoe gaat het met je auto'. Rudy Kousbroek kwam daar in de buurt toen ik mijn 2CV had ingeruild voor een oude Volvo. 'Laten we afspreken,' zei hij, 'dat jij altijd in een 2CV rijdt'
Zo stond ik te boek. We waren beiden verknocht aan de 2CV, die alles kon. Ontworpen voor het platteland. Je kon er balen hooi in laden als je de stoelen eruit nam - een handbeweging - en het oprolbare dak was 's zomers een uitkomst. Alleen in het matgrijs te krijgen. Bij pech wist iedereen waar wat zat. Rudy meer dan wie ook.
Toen hij ziek werd zei hij me eens dat het zo jammer was dat zijn hersens, met alles wat erin was opgeslagen straks verloren zouden gaan.
In zijn 'Wat nooit eerder gebeurd is', zijn postume verzamelbundel met stukjes over kunst en techniek is zijn autoliefde - al zou hij ze liefst uit de steden bannen - alomtegenwoordig. In zijn boekje over de afgedankte auto's die hij rond Parijs opdook in boerenschuren, vaak met broedende kippen erin, staat hoe dat afliep. De banden van zo'n Hispano-Suiza, waarmee hij triomfeerde in de Parijse straten, waren snel versleten en onvervangbaar. Ze werden niet meer gemaakt. Mooi is wat hij zegt over de jeepvormige Citroen-Mehari met z'n plastic carrosserie, uitgebracht ter gelegenheid van het jubileum en net als de 2CV zonder overbodige toevoegsels. Maar wel een stuk duurder. Het is het idee waarvoor je betaalt.
Sinds de computer ook in auto's zit is het uit met het sleutelen. Maar in de geest rij ik nog steeds in een 2CV.