Achterkant

 Nog steeds zal ik in een afgesloten ruimte als een restaurant in een uiterste hoek gaan zitten, liefst met zicht op de ingang. Aan alle kanten gedekt. Bedacht op een frontale aanval. Achterkanten laten zien wat kwetsbaar is. Toen treinen nog dwars door binnensteden reden zag je rijen verwaarloosde achterbalkons, meestal met een opgehangen zinken wasteil. Zoals de in Rotterdam de achterkanten van de Oranjeboomstraat, waar mijn moeder geboren werd. Of in Amsterdam de Haarlemmer Houttuinen.

 In het Artisblad lees ik over het stekelvarken, dat zijn gevaarlijke pennen in een plotselinge draai naar de vijand toe kan keren.

 Maar meestal worden achterkanten nog gecamoufleerd. Behalve bij de menselijke vrouwen, voor wie de kont een nieuwe uitstalkast aan het worden is. Soms extra verstevigd. Er werd al mee gedraaid en gekeerd op podia, maar tijd is niet ver dat vrouwen je nog slechts zullen benaderen met een enkele blik over de schouder.

 In de oude tijden waren de hooggeheven achtersteven van de oorlogsschepen van Tromp en De Ruyter al een soort sierlijke, met beeldhouwwerk versierde pronkstukken, van waaruit deftige gasten het krijgstoneel op hun gemak konden gadeslaan. Toen al was achter een soort van voor.