Adorno (2)

 ‘Eigenlijk dient de filosofie ertoe in te lossen wat in de blik van een dier ligt.’

 Na z'n vertrek uit Duitsland in 1934 - zijn vader was een joodse wijnhandelaar - kwam hij in Oxford, waar ze hem een dandy vonden. Wat hij ook was, hij nam vrij­wel zeker z'n moeders Italiaanse naam aan uit ijdelheid.

 Hoe 'eigen' kun je zijn? Vanaf 1938, in de Ver­enigde Staten zag hij alle dagen hoe het kapita­lisme een cultuur­industrie schept waarin het individu verzuipt.

 Lees Minima Moralia vanaf stukje 129. Over de schijn­heiligheid van de klantvriendelijke massacultuur die dagelijks over je wordt uitgestort. Het is 1945, hij zit in Los Angeles, ziet de leugenachtigheid van de Holly­wood-filmproductie en wordt een overtuigd filmhater. Zoals hij ook populaire muziek verfoeit.

 Meer dan 65 jaar geleden komt hij bij wat nu de dilemma's in de kunst zijn, waar je in tijden van bezuiniging hard tegenaan loopt. Voor Adorno is Richard Wagner een oplichter die het pu­bliek slijmde als nu André Rieu. Wat blijft er over van kunst als kunste­naars het 'de mensen naar de zin gaan maken'?

 Hoe kun je het met zo iemand oneens zijn?

Tags: