Alexander

Hoe een gedeelde school mensen bindt. Gangen en tassen, rijen kapstokhaakjes, een gipsen Venus van Milo. En een band voor altijd. Op een meidag in 1956 meldde ik me bij het Gymnasium Haganum om toelatingsexamen te doen.

 Er was een eigenaardige lotgenoot, in een korte, Duitse leren broek met hertshoorn. Hij had als enige geen pen bij zich. 'Heeft iemand een pen voor me?'

 Mijn moeder had me zelfs een reserve vulpen meegegeven 'voor het geval dat'. Die leende het jongetje, dat Alexander heet­te. Nooit teruggezien. Al spoedig was hij voorzitter van de Bond van Haagse Gymnasiasten en een van de kanonnen van de schaakclub Chaturanga. NU kan ik hem niet meer tegenkomen in gezelschap van onze gedeelde vriend Pieter Waterdrinker. Ook Hans Verhagen, die korte tijd op het Haganum zat en kon vertellen over leraren als Borleffs en Boneschanser is weg. Niet dat je er veel leerde. Nederlands bestond uit Arthur van Schendel en Aart van der Leeuw, wat Werumeus Buning en de laatste dag voor de vakantie Bomans' Pa Pinkelman. Tot de nieuwe leraar Engels Jop Spiekerman Winnie the Pooh binnenbracht, een donderslag. 'A jar to put things in' maakte al het andere onderwijs overbodig.