De in Berlijn wonende Canadese (1966) bouwt tekenmachines sinds begin jaren '90. Ze werken in Stijlkleuren, blauw, geel en rood.
Machinekunst is er sinds de Futuristen en Russische constructivisten als Tatlin ('Die Kunst ist Tot, es lebe die neue Maschinenkunst') de elegantie van de machine stelden tegenover de emotionele erupties van schilderende Fauvisten en Expressionisten. De toeschouwer zet een machine in beweging, en completeert het kunstwerk. Precies de keerzijde van de zielloze machinale perfectie die Chaplin hekelde in Modern Times.
Het verdwijnen van het individu tegenover de perfectie van de machine. Die controverse duurde voort. In de jaren '50 en '60 ontwikkelde Jean Tinguely tekenmachines. Maar dat waren toch ook sculpturen, kunstwerken. Angela Bullochs machines zijn strikt functioneel, het publiek heeft weinig in te brengen. Je kunt een kamer binnen lopen en op een bank gaan zitten. Zo zet je ongewild iets in gang waar je weinig macht over hebt. Dit is geen spelletjesland waar je leuk kunt meedoen. Het gaat z'n eigen gang.
En dan zijn er als sluitstuk op de bovenverdieping nog enorme wandschilderingen met citaten uit alle mogelijke pamfletten. Die - door hun overdaad - hebben opgehouden iets te zeggen. Zoals de dwangmatige lezer van gebruiksaanwijzingen weet: overdaad heft zichzelf op. Bevrijd van televisiebeelden, van kunst en slogans kun je naar huis. Angela Bullochs reductie is voltooid.