Atelier als kunstwerk

 Behalve naar uitblinkers ben ik op de jaarlijkse Open Rijksacademie op zoek naar windrichtingen. Die zijn er altijd wel. Sommigen hebben zich ergens in vastgebeten, maar de meesten zijn nog zoekende. Steeds vaker is is dat ook hun onderwerp. 

 Aan media valt ook nu weer niet te ontkomen, ook niet aan apparatuur. Nog minder aan filosofie. Daar komen mediaspelletjes van als bij Shigeo Arikawa, een Japanner die het greep krijgen op de wereld letterlijk laat zien als een circus van handen die het oog van de ander tussen duim en wijsvinger nemen. Het meest trof me Em'kal Eyongakpa, een sjamanenzoon uit Kamer­oen. Zijn 'Brieven uit Europa' zijn geestig en triest. Dat kan er gebeuren als een onbevan­gen Afrikaan in de eigentijdse Westerse kunst verdwaalt. Kunst? In lijsten? Installaties? Ooit zoiets dwaas gezien.

 Zoekende? In de kunst 'onderzoekt' iedereen tegenwoordig wel. Deftig hoor. Maar dit jaar zag ik toch vooral zoekers. Ze lieten ook vaak gewoon hun ateliers zien, als stapelingen van probeersels. Ruw materiaal, gereedschap. Techniek, die ook weer onderwerp werd. Projectoren, snorrende lo‑fi apparatuur.

 De overschatte Duitser Felix Burger dreef dit tot het uiterste. Hij had zichzelf gefilmd in een oerwoud van draadjes en techniek, waarvan de functie zoek was. Het atelier als kunstwerk, dat was de trend. Beetje armoeiig.

 Een kleine minderheid schildert. Zoals Jisan Ahn uit Zuid‑Korea, die een puntgave voet á la Ina van Zyl neerzet naast een konijn van klei. Of de zeilschepen van de Fin Jouni Toni, niets dan zeilen.

 Maar de verwarring triomfeerde. Ik ging naar huis met een passend antwoord: de rozen-installatie van de Amerikaan Nathan Azderian, een schitterende pastiche van rozen en spiegels. Ver voorbij welke smaak dan ook.