Nooit raak ik uitgekeken op de kruisiging. De stervende naakte man met onder aan het kruis zijn moeder, zijn vriendin, maar ook altijd een bonte groep vrouwen in de elegantste kleren die je maar kunt verzinnen, behangen met juwelen. Ze zien er uit of ze net van de kapper, de kleermaker en de juwelier komen. De stervende zou hun parfums moeten kunnen ruiken.
In dit tafereel vermoed ik de kern van het katholieke geloof. De tegenspraak is schijn. Deze dingen bestaan naast elkaar en zijn daarom elk voor zich niet minder waar. In het Catharijneconvent in Utrecht zag ik eens een tentoonstelling over het kloosterleven. En zie daar lagen in vertaling de kloosterregel van Augustinus uit het jaar 397 met een inleiding van Kees Fens. Hoogst verwarrend om eerst al die vrouwen te zien en daarna te lezen wat nonnen ‑ echtgenoten van Christus ‑ allemaal niet mochten.
'Of u nu loopt of stilstaat, in uw kleding en in al uw bewegingen mag u niemands lust opwekken.'
Wat rook de stervende zoon Gods?
'Wassen van het lichaam en gebruik van het bad vindt niet voortdurend plaats, maar om de zoveel tijd zoals gebruikelijk, dat wil zeggen eens per maand.'
'Ook al valt uw oog eens op een man, u mag de blik nooit strak op iemand gericht houden.'
Kerkvader Augustinus had een vriendin en leefde als een heiden voor hij zich bekeerde. Hij wist waar hij het over had.