Beeldtelefoon

 Sinds enkele dagen heb ik een beeldtelefoon. Niet alleen anderen zie ik, ook mezelf, pratend. Een voortdurende selfie. Voortdurend zie ik wat anderen, met wie ik in contact sta, zien.

 Het is als op straat, waar vooral vrouwen hun uiterlijk check­en in winkelruiten. Bij mij aan de overkant doen ze dat in de ruit van een kapperszaak. En dan volgen de bekende gebaren. Het haar bijwerken met wat ik noem de 'handkam', het met de vingers als tanden van een kam door het haar heen gaan voor je doorloopt.

 Mag niet te lang duren. Er moet een zekere achteloosheid uitgaan van het aan jezelf voorbijgaan. Een korte blik is voldoende. Waarbij ofwel de conclusie 'kan er wel mee door' ofwel het besluit die avond het haar te wassen. De kapper is gesloten, helaas.

 Ook de lichtval is nu makkelijk te controleren. Ieder mens heeft in z'n gezicht een goede en een 'minder voordelige' kant. In Hollywood bestonden catalogussen met de onvoordelige kanten van filmsterren. Alle cameramensen, belichters, regis­seurs en grime­urs kenden die.

 De beeldtelefoon maakt me overbewust van mijn eigen 'kanten', waar­door ik steeds zit te bewegen, maar ook van die van ande­ren. V­oor het begint zou ik iedereen willen 'neerzetten'. De poede­rdozen moeten ze zelf maar hanteren. 

 Deze kwelling zal pas ophouden als iemand de beeldloze telef­oon uitvindt.