De eerste berg die ik zag verrees boven de Moezel. Niet wetend wat een berg was wilde ik hem meteen beklimmen. Dat werd afgeraden. Een dag later ontdekte ik welke inspanning een hoogteverschil van 100 meter meebracht.
Het andere was dat het uitzicht zich beperkte. Je kon niet voorbij de bochten in de rivier kijken. 's Middags al verdween de zon achter de bergkam en lag het dorp in de schaduw. Ik heb een Italiaans dorp gekend waar de zon nooit scheen. Eens hoorde ik een Zwitser bewonderend spreken over een boer die boven de 1300 meter aardappelen verbouwde.
In die wereld verplaatst de Oostenrijker Robert Seethaler je met zijn boek Ein ganzes Leben. De wereld van een dal waar je als bewoner alles kent en weet, maar daarbuiten niets, kort na 1900. Voor ons onvoorstelbaar.
Een geestesgesteldheid die je een geografisch bepaald soort gereformeerd zou kunnen noemen. Waar de buitenwereld onzegbaar ver is en het leven strak en streng. Wat over de bergen ligt is onbekend en onbegrijpelijk. Een dal dat geen verbinding met de wereld heeft en geen elektra. Tot de bergbouwers komen.
De wees Egger wordt tenslotte boer en kiest het hoogste akkertje, waar de zon eerder komt en later blijft. Dan meldt hij zich bij de bergbouwers die een kabelbaan komen aanleggen. Maar levenslang verlaat hij het dal niet. Televisie weigert hij. Tot hij op een dag, kort voor zijn dood, de inmiddels aangelegde bus neemt, naar het eindpunt.
Hij kijkt rond en neemt de volgende bus terug.
Seethaler laat je achter tussen benauwenis en jaloezie op een onbereikbare volmaaktheid.
Het boek is vertaald bij de Bezige BIj.