Bootje

 Het was kort nadat ik het Twentekanaal in het echt had gezien, een brede stroom vol grote en kleine boten. Vanuit de auto van meneer Besseling, waarvan de achterbak vol lag met dozen vol flessen wijn en jenever. Meneer Bes­seling was een grappen­maker.

 Hij kon zijn auto met een 'let op' kaars­recht op een lan­taarnpaal afsturen zodat zijn zoon Bertje en ik gilden van schrik. En dan op het laatste moment het stuur omgooien.

 Een dag later zat ik op de stoep met de jongens uit het buur­tje in de zon en vertelde een verhaal dat ik ter plaatse verzon zoals ik vaker deed. 'Ik heb een bootje,' zei ik. 'Het ligt in het kanaal. Jullie mogen allemaal meevaren. We varen tot de spoorbrug.'

 In mijn verbeelding zag ik het bootje het was wit, met een rode streep opzij. Ik zag het liggen. Als je maar hard genoeg denkt is zo 'n bootje er ook.

 'O ja,' zei Bertje, en hoe heet dat bootje dan?'

 Ai, een blunder. Alle boten hadden een naam, maar de mijne niet. Ik kon er geen verzinnen, zo vlug. Ik viel in een gat.

 'Zie je wel, je liegt,' zei Bertje, 'je hebt helemaal geen bootje.'

 Je kunt geen bootje verzinnen dat er dan ook echt is. Je moet opletten wat je zegt.