Brancusi

Kunstimmigranten bevolkten Parijs tussen 1900 en 1960. Bran­cusi (1876-1957) kwam naar men zegt te voet uit Roemenië. Zijn atelier is bewaard, tegenover het Centre Pompidou. In het Haags Gemeentemuseum staat een versie van zijn raad­selachtige 'Prinses X' (1915-1916). Picasso wist het meteen: 'Een fallus!'. Een fallus met twee trapjes erin?

Laat me wat Freudiaans fantaseren. Brancusi vraagt erom. Trappen - wenteltrappen - doen denken aan de torens waarin prinsessen vanouds werden opges­loten. Zij zongen van de transen en staarden in de verte, wachtend op de prins met z'n lad­der. Daarbij zijn torens ook nog eens fallussen. En alle trappen - Jacobsladders! - voeren naar de hemel, dat spreekt. Hemels te kust en te keur.

Constantin Brancusi was van 1905 tot 1915 met zijn prinses bezig. Hij neigde er steeds meer naar de vorm te vervrouwelijken. In de richting van een vrouwengestalte met hangend haar. Met ingebouwde trappen, om haar te beklimmen dan toch. De ballen werden borsten. Het eindigde als twee beelden inéén.

 Maandag meer in de Avonden.