Breitners Amsterdam (2)

 Rondwandelen door Amsterdam met George Hendrik Breitner. De catalogus van Freek Heijbroek is een goudmijn, geen adres blijft ongenoemd. Breitners cafés? Die Port van Cleve is er nog, net als sociëteit Arti waar ie op eerste verdieping zat te tekenen om de weidsheid van het Rokin te vangen, maar het liefst liep ie schetsend over straat.

 Of zat voor het open raam bij z'n vriend Balbian Verster in de Warmoesstraat 56, wiens kamer aan de achterkant uitzag op de roerige binnenhaven die het Damrak toen nog was. Als het hard woei of regende was ie in 'n element. 'maar kerel zie je dan niet hoe mooi het is?'

 Je moet wel van oorsprong een Rotterdammer zijn die in Den Haag op de academie ging om zo vol verbazing naar Amsterdam te blijven kijken. Ik herken dat. Mijn eerste ochtend als student haalde ik een fles melk. En zag verbluft dat de melkboer een baard droeg. In heel mijn Haagse jeugd was dat nooit voorgekomen.

 Breitner bleef een rare snuiter, net als z'n vriend - tot ze ruzie kregen om een model - Isaac Israëls, die ook uit Den Haag kwam. Hij was verlegen, zwijgzaam. Maar zocht de drukte. Tekende steeds de smoelen, de figuren om zich heen.

 Liefst bij regen of sneeuw. Op een winterse dag toen Balbian Verster naar zijn werk was zat Breitner te werken voor diens geopende raam. Hij had, zo schreef zijn vriend 'de kraag van zijn jas opgezet, want het regende en sneeuwde tegelijk, maar daar stoorde hij zich niet aan. Mijn hospita kwam binnen en begon te klagen over dat hondenweer. Toen werd Breitner werkelijk kwaad. 'Wat hondenweer! Maar het is prachtig, prachtig!'

 Later klaagde ze dat hij geweigerd had de ramen te sluiten en het had laten inregenen.

 Breitner laat de stad zien in z'n smerigheid, zet in z'n composities rustig een 19de eeuws winkelpand vol reclameteksten - allemaal haarfijn genoteerd in z'n schetsboekjes - neer naast de gotische Nieuwe Kerk. En bouwputten, graag, hoe meer hoe beter. Zo doe je het onschilderbaar pittoreske Amsterdam.