Buiten is in Nederland wel iets heel anders dan binnen. Ik groeide op in huizen waar het naar buiten gaan met veel misbaar werd tegemoet gezien. Jassen en dassen aangetrokken en omgeslagen met vermanende begeleiding. Een volk van huiveraars. Die zich altijd schrap zetten, levenslang. En als - zoals dezer dagen - de kou dan eindelijk even wijkt, herademen, de spieren strekken. Of er een loden last van ze af viel.
's Avonds buiten zitten. Eten zelfs. Ik lees in een tuinstoel gedichten van Breyten Breytenbach in 'De zingende hand'. Geschreven in de Zuid-Afrikaanse omgekeerde wereld. Ze praten er Hollands, maar anders. Dat moet wel zijn omdat het er warm is:
'dit was de zomer van lange warme avonden/ dit was de zomer van de trein/ die de stad tegen de schemering uit rijdt/ om zich verder te spoeden door gouden korenvelden/ die 's avonds versomberen onder een hemel/ van paars en bloed/ dit was de zomer dat vogels/ snikten in het bos/ dit was de zomer dat jij je je liefdes/ probeerde te herinneren en waarom/ ze gezichtloos als een deken/ gewichtig in de nacht/ tegen de zere plekjes op je benen schuurden/ dit was de zomer van sterren die vervaagden in de straat/ en van woorden die plots opraakten op papier/ dit was de zomer dat je wel wist/ dat je dit alles misschien voor de laatste maal zag: de wolken, het woud, de wonden van sterren/ als namen in de nacht/ de nonnen met hun schichtige enkels'
(tweetalig, Nederlands van Laurens van Krevelen.)