Buitenland

 De tijd dat het buitenland het buitenland nog was. En files langer dan ze ooit nog zouden worden. Je bereikte het buitenland langs lange grensplaat­sen naar België en Frankrijk, met douanestations tussen de cafés. Vrachtwag­ens moesten er hun papieren brengen. Behalve die onder TIR – Transport International Reglementé – reden en een loodje op hun lading hadden.

 De wereld, instappen en overal heen kunnen. Het land in, de berg op. Waar dan ook rechtsaf slaan en je auto ergens neerpoten.

 Nog kan ik de vijf routes naar Parijs dromen, Welke was erger? Compiègne, Senlis, Meaux? Maar eerst België, het gevreesde Mons.

 Ik moest en zou mijn rijbewijs halen. Maar na drie keer zakken reed de zeer Haagse rijschoolhouder van de Turfma­rkt ons zwijgend naar Kijkduin. Hartje winter, sneeuw tussen het helmgras. We zagen uit over het lege strand, de zee. Naast ons hield een grote Russische wagen stil met een CD-kenteken. Er stapten drie mannen met bontmutsen uit, die l­angdurig overleg­den. De rijschoolhouder maakte er geen woord aan vuil.

 Hij zei 'drie keer gezakt. Weet u wat het met u is meneer, u bent een zenuwelijder.'

 Dat er iets met me niet in orde was had ik gemerkt, maar hij was de eerste in mijn leven die er de vinger op legde. Hij verzon een list. Bij mijn volgende afrijden in Rijswijk zouden we het uur tevoren achter de voorgaande kandidaat aanrijden.

 'Die examinator rijdt altijd het zelfde rondje.' Maar het ging het anders dan verwacht. Waar ik de witte examen-Opel een uurtje eerder rechtdoor had zien rijden zei de examinator nu: 'Tweede gelegenheid links.' En ik reed rechtdoor.  

 Maar als je me nu vraagt wat ik het liefste doe zeg ik 'Een eind autorijden, zomaar, nergens speciaal naartoe.'