Wat ik me het meest herinner van Calabrië is de hopeloosheid. Huizen bouwen ze daar als betonnen skeletten, ingevuld met bakstenen bouwblokken aangesmeerd met cement. Wit, en in niets lijkend op het op het pittoreske Italië dat je kent.
Je weet van het begin van de film Mediterranea: dit wordt niks. Deze twee vrienden uit Burkina Faso zullen het niet redden in Italië. Ze weten bij god niet waar ze aan begonnen zijn. Nadat ze de woestijn en de bootjes overleefd hebben staan ze daar in Rosarno. En daar is het net als in Heesch, er zijn goedwillenden en kwaadwillenden. Het is er koud.
Hun vragen zijn en blijven die van verdwaalde kinderen: waar zullen we nu naar toe gaan, waar slapen we, waar is werk? Overal waar de groep vluchtelingen waar ze zich bij aansloten terechtkomt is het even onzeker, onbekend en onveilig. De vraag waarom gingen we van huis reist met ze mee. Tot ze in Rosarno terecht komen, omdat je als migrant tenslotte ergens terecht komt. Kans op een verblijfsvergunning is er niet.
Je krijgt een glimp van een antwoord als de intelligentste van de twee doordringt tot het terras van de baas van het sinaasappelpluk en -verpakkingsbedrijf waar ze kunnen werken.
Een gemiddeld woonhuis. Een welvarende Westerse woonkamer, de televisie staat aan. Maar ze zeggen daar in huis dat ze niet meer naar het nieuws kijken, 'altijd het zelfde'. Een onbereikbare wereld.
Filmer Carpignano volgt de twee tot ook de camera geen raad meer weet en het opgeeft.