Campo de Fiori

 Het is vakantie en ik blijf thuis. Ik kwam eens uit het Zuiden. Raccordo anulare stond op de borden, al honderden kilometers voor ik de stad Rome naderde. Het was 1976, de eerste keer dat ik per auto, een oude Renault 4, naar de stad reed. Onder ieder richtingaanwijzer hing een bord met reusachtige koffiekop.

 Ter hoogte van Avellino, hoog in de bergen, bleek de koffiekop voor een houten keet te staan waar vrachtrijders espresso stonden te drinken. Het onweerde. Raccordo Anulare. Wat zou dat toch betekenen. Ik stopte en vond in het woordenboekje de betekenis 'ringvinger'. Pas uren later kwam rondweg. En reed ik de stad in. Later bleek anulare behalve ringvinger ook 'ringweg' te betekenen.

 Toen de stad in. Onwaarschijnlijk moeilijk. Ik herkende het Pantheon, kon er zelfs mijn auto kwijt om een blik op de ronde opening in het gewelf te gaan werpen. Het regende, maar op deze afstand merkte je dat niet.

 Maar nu, een hotel. Ik vond een zeldzame parkeerplek in de autochaos en bij het zesde adres, aan de Campo de Fiori bleek tenslotte nog een kamer vrij. Ik kreeg een sleutel aan een blok hout en zeulde samen met mijn vrien­din onze bagage, waaronder de tent, omhoog. Vier trappen. Het was al donker. De deur van kamer 47 was kennelijk ingetrapt geweest en met ruwe planken provis­orisch dichtgetimmerd.

 Binnen was de laatste bewoner kennelijk in haast vertrokken. Maar goed, een bed. Al zat het behang vol vegen, die wel bloedvegen moesten zijn.

 In mijn nachtkastje vond ik een panty en een boek: 'On the road' van Jack Kerouac.