Wat espresso precies was wist ik niet. In Italië had ik het gegorgel en de ademstoten van de machines achter de toonbank gehoord. Ik studeerde nog maar net. De mensa aan de Amsterdamse Damstraat was mijn eerste eetadres. Er was vlees voor een bonnetje, had je geen geld dan kon je altijd, aardappelen en groenten gratis bijhalen. Soms at ik alleen kruimige aardappelen en andijvie.
Er waren drie verdiepingen met drie menu's, het eten kwam aan de achterkant in grote gamellen, van de gaarkeuken, zei men. De bovenste etage had exotische menu's als bouillabaisse, dat was, zei men, restverwerking.
Het was in dat jaar, 1963, dat achter Peek en Cloppenburg, aan het doodlopend eind van de Kromelleboogsteeg de eerste espressobar ontstond.
De eigenaar deed niets dan toezien. Hij moest wel geknipt zijn door een Italiaanse kapper: kort, egaal lichtgrijs krullend haar. Hij ging ook gekleed als een Italiaan, in een zwarte pantalon en een volmaakt jasje met een klein zwartwit ruitpatroon. Altijd zonverbrand. Een verschijning waar de studenten na hun mensamaaltijd naar kwamen opzien, terwijl twee meisjes de wonderlijke machines bedíenden en de uitgestoomde houdertjes koffiedik lawaaiig uitklopten in houten laden.
Er viel veel aan klanten uit te leggen, vooral over de cappuccino - het habijt van sw Capucijner monniken - en de crema.Soms stond het vol in de steeg. Met kijkende studenten. Net als de meesten ben ik daar nooit binnen geweest. Te duur.