China, uit papier gemaakt. In de bundel 'Abri' van Liesbeth Lagemaat vertelt het Chinese wandpapier in landgoed Oud-Amelisweerd dit verhaal uit 300 v.Chr.. in 'Man bijt wak uit behang'. Dat zo begint:
I
Ze zoeken je. Zochten je. Dit wandpapier, uit lompenpap gewonnen,/ geschept, geperst, te drogen gelegd om waterverf te zuigen (penselen
zo dun als de poot van een vlinder trekken lijnen over een nog lege vlakte,/ aarzelend, trefzeker, subliem. Ze verven ogen. Vrouwenhaar. Mouwplooien.
Ook de penselen zochten je.) Want je verdronk. Een gat zo groot als/ een hand onderbreekt de rivierstroom nu en wij staan in een bos in een huis
in een zaal onze ogen tegen de muur aan geplakt zoeken naar monden/ die uit eeuwen roepen, de uitgegumde stemmen van de mannen en/ vrouwen die het vissenvoer verkruimelen tussen hun vingers. Karpers die/ rondjes zwemmen, bibbercirkels langs de voorplecht. Het bootje kan niet stil
II
en gaat alweer van daar, waar je misschien. Geclusterd. Waar je lag./ In fragmenten uitgespoeld. De steen wit en wit je gezicht en je ogen.
'Zo mooi', zou iemand bijna zeggen, 'net glanzende kiezels'. De vrouwen/ voeren de karpers om je te behoeden. Het wit te laten, nog witter
te laten worden en nog. Luister. De mannen roepen niet meer. Je naam/ drijft op het water. Zal glanzend zinken. Op kiezels rusten. Dat ben jij.
Hebben ze je Negen Liederen gezocht? Hebben ze onder het watervlies,/ hun oor op de stroom, en verder, en verder. Hun wang in de golf, zich vastklampend
aan de voorplecht van het bootje - heeft iemand. De laatste klanken./ Op te vangen. Wat zijn de laatste klanken uit de keel van een verdronkene.