Chuck Close kan gezichten niet uit elkaar houden. Om er greep op te krijgen ging hij eind jaren '60 portretten schilderen. Later werden dat de prints die nu te zien zijn in de Kunsthal. Op grote formaten.
Macht krijgen over wat je ziet, dat zit erachter. Pixel na pixel. Je met alle technieken meester maken van het beeld. Hyperrealisme, niet als gril, maar als bittere noodzaak. De keus van de gezichten is uitgesproken. Extreem herkenbaar aan onderdelen, als de kuif en bril van Keith (1972). De haardos van Phil Glass. Zo werd het cirkelvormig gezicht van Lucas Samaras kortgeleden een tapijt.
Zeer bewerkelijke drukprocessen, met alle mogelijke technieken en materialen. Pixels die met de hand bedrukt of beschilderd worden. Dat is waar de spanning in het werk van Close vandaan komt en waar je in Rotterdam met je neus bovenop staat. Een vorm van bezwering waarmee een handicap overwonnen wordt.