We zouden de commune onderzoeken. Iets nieuws in 1969. Hoe werkte dat? De eerste keer dat ik de problemen zag was in de Brusselse Washingtonstraat. Een fors herenhuis waarin een gemeenschap van een man of dertig gevestigd was. Een wandbord in de gang met corveetaken en namen. Ik vroeg de leiding te spreken.
Dat bleek onmogelijk. Ik kon ze toch niet alle dertig voor de microfoon halen, zei ik. Dat begrepen ze, maar nu moest er eerst vergaderd worden want 'niemand is hier de baas'.
Tenslotte zat ik daar met vijf woordvoerders, die vertelden dat ze vaak hele dagen vergaderden. Over huishoudelijke taken, partners, politieke standpunten.
De gemiddelde levensduur van communes bleek twee jaar.
Nu is er een Nederlandse politieke partij die kamerleden louter en alleen als spreekbuizen van de stemmen des volks wil aanstellen. Babylonisch! De vertegenwoordigende democratie was toch een redelijke oplossing: elke vier jaar een voorzitter, een penningmeester en een secretaris, die kunnen organiseren en rekenen.
Maar nu beslist iedereen elke dag mee over alles. En de uitkomst ligt bij voorbaat vast. Wat de secretaris en de penningmeester ook voorstellen, het volk is tegen.
Wilders had het probleem van de volksvertegenwoordiging toch al opgelost? Hij nam het standpunt van Plato - die zijn leven lang tegen de democratie vocht - over: de koning-filosoof, hijzelf. Maar nu hij anderen toelaat, ai.