De clown in wie we opgroeiden.

Het idee dat kinderen soms zo grappig zijn zit ook in 'Fantoommerrie', de nieuwe bundel van Marieke Lucas Rijneveld. Bijvoorbeeld in zo'n gedicht als 'De clown in wie we opgroeiden.' Een wereld van misverstand.

 'We zeggen dat berouw een laagje margarine is op onze

boterham, vanaf nu blijft alles plakken. sussen de

schrik zijn mand weer in, braaf zijn de dingen die zonder ons

geen identiteit meer hebben. Neem stoel die zonder gast een

stuk hout is met de leuning als vaders zwijgzame rug, dat die

rug zonder kennis van vader en vergeten om te kijken enkel

een muur maakt, de hond wat vacht, in het verval schuilt de

zelfredzaamheid. We zijn bang nu de clown in wie we opgroeiden

bij de oksels is gaan knellen de vrolijkheid uitgelachen nu er

koortsachtig aan het poppenhuis geknutseld wordt. Wat niet

meer te lijmen is stoppen we in een schoenendoos totdat we de

schoenendoos weer nodig hebben voor schoenen of andere niet

lijmbare dingen: zelfs scherven verliezen op den duur hun breek-

baarheid. We hebben al jaren geen publiek meer maar zien nog

steeds bleek, planken in onze koppen getimmerd en vader - bij wie

het applaus ingebouwd zit als een klapperend kattenluik - vraagt

wie er met de cornlakes heeft geknoeid. Hij zegt dat de meeste muizen

die in de val lopen hun nek of rug breken en als we dromen horen

we de scharniertjes piepen, het dichtklappen van de beugel, wie

hier intrapt heeft geen huis om op te geven. In de avond snijden we blokjes oude kaas ter grootte van ons zelfbeeld, leggen ze met een

pincet op het houten plateautje, het podium van de dood en stellen

met het dekbed tot onze kinnen de vraag: hoe verbeeld je een

engel als het steeds maar bewolkt blijft?'