Robert Walser bracht me bij een andere dromer, Henri Rousseau (1844-1910). Van wie twee echtgenotes stierven en acht van zijn negen kinderen. Rouseau, die als belastingambtenaar bij de douane werkte en in zijn vrije tijd schilderijen maakte, waarom hij lange tijd werd uitgelachten.
'Jij en ik zijn de grootste schilders van onze tijd', zei Rousseau tegen de jonge Picasso die voor hem een banket organiseerde in 1908, 'jij in de Egyptische stijl en ik in de moderne'. Picasso zou hem hier later achter zijn rug om uitlachen. Dit doek, 'De Droom' (1910), maakte Rousseau, kort voor zijn dood, voor een mogelijke derde echtgenote. Een vrouw op een divan wijst naar het oerwoud waar ze over droomt. Het oerwoud als 'state of mind'. Hoewel hij Parijs nooit verliet, was Rousseaus droomwereld er een van oerwouden vol exotische dieren en prehistorische planten en bomen. Maar de beoogde vrouw was niet geinteresseerd. En de douanier stierf arm en eenzaam. Zijn kunstenaarsvrienden ontfermden zich over zijn graf: Apollinaire schreef een gedicht dat Brancusi in een mooie steen beitelde. In 1981 was er een Rousseau-expositie in Amsterdam. Het affiche van de leeuw en de slapende vrouw in de woestijn hing in vele Amsterdamse studentenkamers.