De Metamorfosen van Jeroen van Kan

 Ovidius beschrijft nergens hoe mensen, dieren of planten nu precies veranderen in heel andere dieren, planten of mensen. Willem Frederik Hermans was tot nu toe de enige Nederlandse schrijver die zo'n veranderingsproces heeft aangedurfd. In Ruis­end Gruis, zijn laatste roman wordt de 'handplant' opeens mode onder verveelde jongelui.

 In 'Hoe Matt een dode vis werd' van Jeroen van Kan, waarin ik nieuwsgierig zit te neuzen, blijkt het menselijk lichaam tot veel ongedachts in staat. Het boek begint zo: 

 'Ooit zag een godheid het licht langs het voorhoofd van een god, ooit schiep een god een mens uit een rib, maar aan een kaakbeen groeien doorgaans alleen tanden. Philip Verstaggen-Molenbreet verandert niet in een tand. In wat wel is moeilijk te zeggen.'

 Deze Philip moet naar een tandarts, omdat er vreemde dingen gebeuren in zijn mond. Nu is de mond, het gebit een gebied waar alternatieve werelden  zich vormen. Vooral bij pijn. Er zijn mensen die hun kiezen namen geven. De tong, de trouwe waakhond kent er iedere uithoek, elk scherp randje. Als in de kaak een gekarteld bot zich verheft weet de tong dat hel precies. De inmondige wereld is groot.

 En nu ben ik nog maar drie pagina's ver. Waar deze metamorfose heen voert? Goddank bestaan er nog boeken over het ongewisse.

 Later hopelijk meer.

Tags: