De overkant

 Heel schuin aan de overkant op de Haagse Frankenslag was een Heineken uithang bord van een café te zien. Een café In zo'n deftige straat! Volkomen ongepast. Mijn grootvader, de ouderling stond er wel eens in de erker naar te kijken. Een keer verzuchtte hij 'Daar zou ik nou wel eens een groot glas bier willen drinken.'

 We wisten allebei dat zijn vrouw daar een stokje voor zou steken. Een drinkende ouderling in het openbaar! Er zou een lid van de kerkeraad langs kunnen komen! Later, toen ze gestorven was stonden we daar weer eens en zei ik, wijzend naar de overkant, 'Opa, nou zou je toch wel eens. Zullen we?'

 Waarop hij zijn hoofd schudde en zei 'Nee, het zou me niet meer smaken.'

 De kerkdiensten werden toen gehouden in de aula van het Gemeentemuseum. Voorafgaand aan elke dienst preludeerde de organist elke week op Bachs 'Jesu joy of mans desiring'.

Op een kerstavond, dat opa bij ons kwam eten had mijn vader een cadeautje: een grammofoonplaatje van Bachs Jesu's joy. Ik moest de Perpetuum Ebner-koffergrammofoon uitpakken en het ep‑tje opzetten.

Verwachtingsvolle blikken naar opa. 

'Dit moet u toch bekend voorkomen vader.'

Maar hij reageerde niet. 'Nee,' het zegt me niks,' zei hij.

Later hoorde ik hoe dat kwam.

'Toondoof' was de verklaring van een bevriende musicus.