Dat Vlaanderen een sprookjesland is merk je eens te meer bij de Ronde. De Vlaamse wielertaal is al diep doorgedrongen bij ons. Tot op het Binnenhof worden tandjes bijgestoken, wordt er aangeklampt en gelost.
Vanmiddag keek ik - zoals ieder jaar - urenlang naar het beregende plaveisel op de Oude Kwaremont, de Berendries en de Muur van Geraardsbergen. De valpartijen, en vooral het landschap waarin de wedstrijd ligt ingebed, de begraafplaatsen, de kerkjes. En luisterde naar wat werkelijk van belang is, het goed omspringen met je krachten, die verdelen over 260 kilometer. Denken om de hongerklop, blijven eten.
Drinkbusjes rollen over de kasseien, gevaarlijk in een gesloten groep. Een mevrouw in een winterjas loopt zomaar over het fietspad naast de weg dat sommige renners gebruiken om af te steken, terwijl toch heel Vlaanderen weet dat de Ronde eraan komt.
Hoe zal dit eindigen? Nog 70 kilometer. Nu moeten de Quick Steps van Patrick Lefevre komen. Een blauw front rukt op. Eddy Planckaert geeft commentaar: alles kan nog. En alles blijkt Niki Terpstra. Een eenzame Nederlander die op kop komt op de Taaienberg. En daar blijft. Ze halen hem niet meer bij, Wereldkampioen Peter Sagan niet, de Belgen met Sep van Marcke en Van Avermaet niet. We staan op de markt van Oudenaarde.
Wielrennen is taal en omvat heel het bestaan, het landschap, de levenslessen. Dus: niet panikeren. Het kan zijn dat je valt, of moet lossen maar je kunt het. Doe het wel in je eigen tempo.