De tranen van Vicky Baum

 Steeds kom ik weer terug in het eertijds wereldberoemde en verfilmde 'Menschen im Hotel' van Vicky Baum (1929). Waarom? Het is weergaloos geschreven, niet alleen in wat je noemt 'stofuitdrukking' maar in alle denkbare tast en voelbare stoffen, kleren, tapijten, make-up en wat vrouwen erin behaagt. En dan de onverwoestbare ironie.

 De hoofdfiguur, de ehemalige sterballerina Grusinskaja, heeft haar laatste Berlijnse voorstelling voor een treurige halflege zaal in Berlijn gegeven en treft op haar kamer de hoteldief Geigern, die zich uit de situatie redt door te doen of hij ver­liefd op haar is.

 En volgt een sleutelscene, de altijd vormelijke Grusinskaja is aan haar eind, wil niet meer leven en wil huilen. Eerst komen er maar twee tranen: 'Die zich eindelijk uit de kramp van deze avond losmaakten. Ze voelde deze tranen in heel haar lijf, in haar tenen maar ook in haar vingertoppen ook en dan in haar hart, en tenslotte belandden ze in haar ogen, rolde langs haar strak opgemaakte, lange wimpers en vielen in haar handpalmen.' (...)

 Nadat Grusinskaja de eerste twee pijnlijke tranen toegelaten had ging het makkelijker. Het begon met een dunne, eenvoudig wegvloeiende tranenbui, die warm en koel tegelijk was als zomerregen, daarna kwam daaruit een hartstochtelijk stromen voort, een zwart stromen, terwijl haar wenkbrauw-opmaak vol­ledig losliet tenslotte wierp Grusinskaja zich op haar bed en snikte vele Russische woorden in haar handen, die ze gevou­wen voor haar mond hield.

 Gaigern veranderde bij deze aanblik van een hoteldief, die er na aan toe was de vrouw neer te slaan, in een man, een groot, eenvoudig mannenschepsel dat geen vrouw kan zien huilen zonder te hulp te snellen.'  Geestig schrijven over mannen versus vrouwen, een verloren kunst. 

Tags: