In een doodgewoon leven van de Tsjech Karel Capek komt de lezer binnen in het parallel universum van de spoorwegen. En net als de stationschef wil hij niets liever dan daar bij horen. Bij de feilloze dienstregeling, de geur van verbrande olie, de getuite oliekannen en de smeerpunten op de locomotieven.
Zoals Capek het schrijft: 'Zo'n station is een wereld op zichzelf; het hangt meer samen met alle andere stations die het verbinden dan met de wereld aan de andere kant van het hek.'
Immers: 'Naar de stad ga je alsof het een vreemde streek is, daar zijn we niet langer op eigen grondgebied en we hebben er vrijwel niets mee gemeen. Hier hangt het opschrift VERBODEN VOOR ONBEVOEGDEN, en wat er achter dat bordje is, is alleen voor ons; jullie anderen mogen blij zijn dat we je het perron op en de treinen in laten gaan.'
En dan komt de zin die het samenvat: 'Zo'n exclusief en besloten koninkrijk is jullie niet gegeven. Wij zijn als een eiland dat aan ijzeren rails hangt, waaraan dan weer andere eilanden en eilandjes zijn geregen; dat is allemaal van ons en door middel van spoorbomen, bordjes en verboden van de andere wereld afgescheiden.'
Als jongen zag ik iets van die wereld op het stationnetje van Eerbeek op de Veluwe: de laadbonnen achter de traliewerkjes achterop de goederenwagons, waar hun herkomst en bestemming op stond. Van Krefeld naar Eerbeek. Wat zou je anders wensen dan daar deel van zijn, er werken.
Mijn broer was lid van de Nederlandse Vereniging van Belangstellenden in het Spoor- en Tramwegwezen die eens per jaar naar het laatste nabije stoomdepot reisde in Kleef. Waar ze allemaal op de foto gingen, op treeplank van de loc, met de pet van de machinist op.