De zittingen

 Er is een nieuw adres op Facebook waar ik rust vind. Geheel gewijd aan de schrijver Lodewijk van Deyssel(1864-1952). Ik had het geluk zijn biograaf, de Maastrichtenaar Harry G.M.Prick een paar keer mee te maken en te interviewen.

 Harry stelde in die tijd 'De schrijfcassette van Lodewijk van Deyssel'(1978) samen. Vol bijzonderheden over diens eigenaardigheden. En vertelde mij over zijn bezoeken - als scholier nog, in de oorlog - aan de schrijver in Haarlem. 

 Van Deyssel schreef op den duur allang geen boeken meer maar zorgvuldige aantekeningen over zijn niet-schrij­ven. Zijn dagindeling, zoals de onvergetelijke passage over hoe zijn kamer binnen te gaan zonder dat tegelijk een insect binnendrong, kortom alles wat het schrijven hinderde. Wat een subli­eme manier van schrijven werd. Twee schrijf-'zittingen' per dag waren gepland. Maar dan:

 '12u.45 middag: Over Zitting‑techniek. Er is inferieure en superieure zittingtechniek. De inferieure geldt de regeling en werking der zitting ten op­zichte van den mensch‑als‑een‑ander in mij, de superieure de inrichting der zitting ten opzichte van  mijn mij van de gewone menschen onderscheidende eigenschappen. Zoo behooren alle vraagstukken omtrent verwarming, verlichting, ventilatie en schoonmaak van de zittingkamer, de hoogte van de zittingzetel, de aard van de pennen, enverder den Algemeenen Dienst, Staten en Inrichting van de schrijftaf­el, enz. enz., tot de inferieure, ‑ alle vraagstukken omtrent de Af­fiches en die omtrent het inwendig bewegen der stemmingen, enz., ook in verband met de uitwendige hoofd‑ en schrijf‑hand‑houding en ‑bewegingen (rakende de grens van de Ner­veus‑cerebrale mekaniek of Stemmingwerking) ‑ tot de superieure zittingtechniek. Superieure zittingtechniek

 1 Het niet‑spreken  2 Het niet‑rondkijken  3 Het niet‑opstaan 4 Het niet‑uit de‑hand‑leggen der pen  5 Het niet‑openen der kamerdeur.

 Het openen der kamerdeur is een der grootste, zoo niet de grootste aller, fouten tegen de superieure zittingtechniek. Zoo wel om de zonde in zich zelve als om de storing, verwoesting en vernietiging der werk‑machinerie en stemming, die er het onmiddellijke gevolg van is. Hoe zoudt gij nadeeliger op uw subtiel gedachten‑weefsel werken kunnen dan door de ruwe stoot van het uitwendig huishoudelijk leven er tegen aan te laten komen?